Niet sociale onrust, maar sociale aftakeling vormt China’s grootste bedreiging. En de aanpak van de sociale onrust, of het geforceerde streven naar sociale stabiliteit, ondermijnt de aanpak van die sociale aftakeling.
Dat schreef Sun Liping, een vooraanstaande professor sociologie aan de Chinese Tsinghua Universiteit, eind februari op zijn weblog. Sun gebruikt in zijn betoog enkele medische metaforen om China’s sociale staat te illustreren.
‘Sociale onrust’, zo schrijft Sun, ‘is een blessure van een verder gezond lichaam. Sociale aftakeling is het falen van de cellen die het lichaam gezond houden.’ De vergelijking tussen een gescheurde meniscus en een kwaadaardig kankergezwel dringt zich hier al snel op.
Om het iets duidelijker te maken, legt Sun uit dat het tegenovergestelde van sociale onrust sociale stabiliteit is. Het tegenovergestelde van sociale aftakeling is sociale gezondheid. En omdat China te veel nadruk legt op de ‘genezing’ van de manifeste gescheurde meniscus (het voorkomen van sociale onrust, demonstraties, protesten), is de behandeling van de sociale aftakeling niet effectief genoeg.
Ook Sun vergelijkt China met een kankerpatiënt. Om te overleven moet China dringend geopereerd worden. Maar omdat de patiënt volgens de dokter (de overheid in Beijing) niet alleen aan kanker, maar ook aan een hartkwaal lijdt, besluit de dokter de operatie uit te stellen.
Waar China de fout in gaat is bij de diagnose van de hartkwaal. ‘China’, schrijft Sun, ‘lijdt niet aan een hartkwaal. In ieder geval niet aan een ernstige hartkwaal.’ Die onterechte diagnose van de hartkwaal heeft als gevolg dat China’s kanker niet behandeld wordt. De aanpak van China’s sociale aftakeling wordt vaak uitgesteld uit angst voor ondermijning van de sociale stabiliteit.
China lijdt dus aan kanker. Dan resten de vragen: waar komt die tumor vandaan en hoe dient deze behandeld te worden? Volgens Sun is de oncontroleerbare macht de grote boosdoener. Hoewel ook China inmiddels een markteconomie kent, vormt overheidsmacht nog altijd het primaire fundament van de Chinese maatschappij.
De macht van de Chinese lokale overheid is een kracht die noch van binnen noch van buiten enige begrenzing kent, betoogt Sun. Gemeente- en provinciebestuurders handelen eerst en vooral in hun eigenbelang, dan pas in het belang van de overheid en de maatschappij. Met andere woorden: ze zijn in en in corrupt.
Tot zover snijdt Suns betoog zeker hout. Sun bekritiseert de overheid door te impliceren dat Peking verkeerde accenten legt. De centrale autoriteiten zouden minder energie moeten steken in het geforceerd voorkomen van sociale onrust, en veel meer in de gezondheid van het lokale bestuur.
Toch stelt Suns sociologisch-chirurgische creativiteit me hier enigszins teleur. Zo schrijft hij dat de corrupte ambtenaren een ‘untreatable’ probleem vormen, maar doet vervolgens niet eens een poging om een mogelijke oplossing te bedenken. Hij maakt zich ervan af door te stellen dat latente normen en waarden in de Chinese maatschappij het gedrag van zowel Chinese ambtenaren als Chinese burgers beïnvloedt.
‘De maatschappij is zijn moraliteit kwijt’, schrijft hij. ‘De sociale ethiek is in een vrije val terecht gekomen. Belangengroeperingen zijn angstvallig, wat bij mensen tot de erosie van het gevoel voor eerlijkheid en rechtvaardigheid leidt. Overtreding van professionele normen en waarden is wijdverbreid.’ Sun vervolgt: ‘Informatiesystemen in de maatschappij worden ernstig verstoord. Manipulatie van statistische data tekent de drang om de werkelijkheid te willen verdraaien.
Opvallend is dat de Chinese socioloog niets over incentives meldt. Want incentives, beloningen en straffen, lijken me toch ten grondslag te liggen aan de corrupte lokale overheden. Zoals Sun ook al stelt, handelen ambtenaren vaak eerst in eigenbelang – om een promotie te bewerkstelligen of voor direct financieel gewin – en dan pas in het belang van de overheid en de maatschappij.
Blijkbaar zijn de negatieve incentives, de straffen dus, voor het niet handelen in overheidsbelang en maatschappelijk belang niet sterk genoeg. Zeker wanneer deze straffen afgezet worden tegen de beloning voor het handelen in eigenbelang (bijv: promotie).
Door een ander systeem van beloningen en straffen in te voeren moet er bij Chinese ambtenaren, net als ieder ander een mens en dus gevoelig voor incentives, een gedragsverandering te bewerkstelligen zijn. Over de vraag hoe deze balans van straffen en beloning er uit ziet, kan ik hier geen zinnig antwoord geven. Wel heb ik een sterk vermoeden dat ik niet de eerste ben met deze suggestie.